Onlangs werd een arrest van het hoogste rechtscollege gepubliceerd, daterend van juni 2013 inzake het gebruik van de vruchtgebruikconstructie in een vennootschap als alternatieve bezoldiging voor haar mandataris (bedrijfsleider). Het hof is van oordeel dat het vruchtgebruik in casu (en de hiermee samenhangende kosten) niet aftrekbaar zijn als beroepskost (zelfs niet als bezoldiging) vermits het onroerend goed in kwestie :

1) gebruikt werd door de zaakvoerder als woonst;

2) er nooit sprake is geweest van een beduidend beroepsmatig gebruik;

3) de verwerving van het onroerend goed niet noodzakelijk was voor haar maatschappelijk doel.

Tevens stelt het hof dat zelfs indien de statuten voorzien in de toelating om zakelijke rechten te verkrijgen, dit de vennootschap niet vrijstelt van de verplichting om aan te tonen dat de onroerend goedverrichting kadert in haar maatschappelijke activiteit en een beroepsmatig karakter heeft. Het gebruik van een onroerend goed voor private doeleinden door een gratis terbeschikkingstelling van bijna de volledige bewoonbare oppervlakte sluit uit dat de uitgaven die verband houden met het onroerend goed verband houden met het maatschappelijk doel.

Moraal van het verhaal is eens temeer dat een vruchtgebruikconstructie kan, maar dat meer dan ooit haar opzet moet getoetst worden aan de economische en feitelijke doelstellingen van de vennootschap.